terug

Trijntje's dagboek

Trijntje's dagboek

Oorlogsjaren in sanatorium Beekbergen

De reis
In de jaren dertig van de vorige eeuw was reizen met de trein bij de meeste mensen geen alledaagse gebeurtenis, vooral wanneer je nog nooit van huis was geweest zoals de ongeveer 18-jarige Trijntje uit het Westfriese Enkhuizen.

Puffend en piepend kwam haar trein op station Beekbergen tot stilstand. Hier moest het dan zijn dacht Trijntje, druk was het niet op het perron en toen ze naar de uitgang liep stond daar een lange man. Hij tikte aan zijn pet, maakte zich bekend als de chauffeur en gebaarde haar in te stappen in de gereedstaande automobiel. Bagage hoefde niet gesleept te worden want 't enige wat Trijntje bij zich had was een klein koffertje met hooguit wat nachtgoed en een enkele verschoning. De automobiel sloeg linksaf de Hulleweg in, de bult over en het bos in. Bij de Loenenseweg gekomen stak de auto de weg over en reed het terrein van het Sanatorium Beekbergen op.

In het sanatorium
Bij de hoofdingang stond de dokter met zijn lange witte jas al klaar om Trijntje te begroeten. Gewillig liet ze alles over zich heen komen, wat kon ze anders, als TBC-patiënt had je immers niets meer te vertellen? Want inderdaad ja Trijntje had TBC, een in die jaren zeer gevreesde ziekte, die, als je geluk had, door rust kon genezen. De meest geschikte plek hiervoor was het sanatorium waar zwaar zieke mensen met open TBC werden verpleegd.
Geen vader of moeder of verdere familie die haar begeleidde op de lange reis naar het verre Veluwse Beekbergen want één treinkaartje was voor een gezin van zeven kinderen al veel geld en wie weet zouden ze in de komende jaren de reis nog vaak moeten maken om hun dochter te bezoeken. Want jaren zou het gaan duren, dat was zeker. Als patiënt kwam je in een open ruimte te liggen waar de boslucht vrij naar binnen kon zowel in de zomer als 's winters in de vrieskou. Om de tijd door te komen schreef Trijntje gedichten waar ze vervolgens weer veel moed en kracht uit putte.

Gerrit
De jaren verstreken, Trijntje knapte Goddank weer op en begon zich steeds meer onder de bevolking te begeven. Vaak liep ze op zondagmorgen de Hulleweg af om in Lieren te kerke te gaan. De meisjesvereniging in Beekbergen en catechisatie waren ook een welkome afleiding. Toen Trijntje gezond verklaard werd was de oorlog al uitgebroken, de kans om als dienstbode in betrekking te komen in het gezin van de directeur van het sanatorium, de familie Kolff, nam ze dan ook met beide handen aan. De familie in Enkhuizen had al moeite genoeg om het gezin te voedden en te kleden, dus een mond minder kwam in oorlogstijd goed uit.
De jonge dienstbode was al aardig ingeburgerd in Beekbergen en bezocht samen met vriendinnen de zanguitvoering, waar ze Gerrit leerde kennen. De warmte en geborgenheid van een normaal huisgezin had ze jarenlang gemist en die vond ze bij Gerrit en zijn familie terug. Ze hadden, zoals dat toen werd genoemd, innige verkering.

Een paar maanden later, het was juni 1943, gebeurde het verschrikkelijkste wat ze denken kon, Gerrit zou zijn vaderland moeten verlaten om voor de bezetter te gaan werken. Een tijd van hoop en vrees brak aan en zoals ze enkele jaren daarvoor eenzaam en verlaten met haar koffertje op het perron stond, voelde ze opnieuw wat het was om alleen te zijn.

Het dagboek
In oorlogstijd was alles schaars en had ieder wel geleerd om zuinig te zijn en zo gebeurde het dat Trijntje het schrift waar ze haar gedichten in schreef ging gebruiken als dagboek. In haar dienstbodekamertje, boven bij de familie Kolff, heeft ze beschreven wat ze doormaakte. En net als de troost die ze uit haar gedichten haalde vond ze nu steun en kracht bij haar dagboek, en kon ze intieme gevoelens kwijt die ze alleen aan Gerrit zou vertellen.
Van hoe lang het zou gaan duren had Trijntje geen besef want steeds was er de hoop dat hij gauw weer terug zou komen. De laatste woorden van Gerrit waren "HOOR JE GOED, IK KOM WEER".
Voorin het schrift had Trijntje een viooltje ingesloten die ze samen geplukt hadden vlak voor zijn vertrek. Het gedroogde viooltje zit nog steeds tussen de bladzijden. De post verliep in die tijd moeizaam, zeker vanuit de kampen en het buitenland. Het lange wachten was begonnen.

Dankzij de dagboekaantekeningen van Trijntje kunnen we nu nog enigszins navoelen hoe Trijntje deze spannende tijd meemaakte.

Het eerste nieuws verneemt ze van een broer van Gerrit, die ook tewerkgesteld was. Omdat deze Henne al getrouwd was en een kind had, kreeg hij nog wel eens verlof.  Gerrit blijkt in Assen te zitten, wachtend op vertrek naar Duitsland. Uiteindelijk zou hij terecht komen in het oosten van Duitsland in de buurt van Dresden aan de Elbe.

Na zes weken wachten krijgt Trijntje voor het eerst post van Gerrit, wat is ze gelukkig iets van haar geliefde te horen!

Op 13 augustus staat er in de krant dat je een pakje mag sturen, maar Trijntje wacht nog op het adres dat ze zou krijgen van het Rode Kruis. Ook mag je een kaart sturen met maximaal 30 woorden. Dat blijkt nog een hele toer te zijn en bezorgt Trijntje en haar vriendinnen de slappe lach omdat ze bij het tellen steeds te veel of te weinig hebben.
In het verre Duitsland blijkt Gerrit ook precies bij te houden op welke plaatsen hij allemaal geweest is. Op 3 september 1943 schrijft hij een pakketje te hebben ontvangen. Rookartikelen en zeep waren er uit verdwenen.

Eind september is broer Henne ineens weer thuis. O, wat een blijdschap, wanneer zou Gerrit thuiskomen?

Weer vernemen ze 5 weken niets van hem. Volgens de berichtgeving gaan de Russen hard. Trijntje, die denkt dat haar geliefde het moeilijk heeft, schrijft in haar wanhoop dat hij maar gauw weg moet kruipen als de Russen komen. De zegelring van Gerrit, die hij Trijntje om de vinger schoof voor zijn vertrek, geeft haar steeds weer moed.
Ook de jeugddienst in Lieren op 22 november, waarin de dominee preekt over de brieven van Paulus, geeft haar veel kracht.

In december is de vader van Gerrit erg ziek. Dokter Pont doet alle moeite en schrijft ook een brief; of Gerrit naar huis mag komen, wat helaas geen resultaat oplevert.
In december komt de post wel weer goed door en leest Trijntje dat Gerrit het goed heeft getroffen. Hij werkt bij een boer en heeft het goed van eten en drinken en 's avonds een warme kachel.

Inmiddels was het januari 1944. De brieven die het thuisfront en Trijntje schrijven, komen allemaal weer terug. Pakjes komen wel over en Trijntje besluit een brief binnenin een koek te stoppen. Pas in maart mag je weer schrijven.

Op 17 maart maakt Gerrit aantekeningen dat hij z'n snor er heeft afgeschoren. In de brieven aan Trijntje is hij steeds optimistisch. Hij denkt binnenkort weer thuis te zijn.

In juni 1944 is iedereen in het dorp zenuwachtig wat er te gebeuren staat, de nieuwtjes zijn niet van de lucht, een invasie in Frankrijk en de Russen zouden ook hard gaan. In juli zal Trijntje een week op vakantie naar haar ouderlijk huis maar ze twijfelt vanwege beschietingen op treinen en in Loenen hebben ze weer razzia gehouden.

Een paar maanden later, op een zaterdagmorgen, is Trijntje even tussen het werk door naar haar kamertje geglipt om met haar geliefde te 'praten'. In haar dagboek vertelt ze hem dat de vergunning voor een gasstel gekomen is, dat betekent dat je dan een huishouden kunt beginnen, maar steeds weer die vraag wanneer zou hij terugkomen en de bede dat ze het allebei vol mogen houden. In Kampen heeft zoon Pim Kolff (zijn echte naam is Willem maar in huiselijke kring werd hij Pim genoemd) juist baanbrekend werk verricht door het uitvinden van de kunstnier.
Vele jaren later zal blijken dat aan deze uitvinding wereldwijd duizenden of zelfs wel miljoenen mensen hun leven te danken hebben en Pim zou wereldwijde bekendheid krijgen, ja zelfs een nominatie voor de Nobelprijs. Trijntje wist wel dat Pim, in de jaren dat hij nog thuis was, ergens op zat te broeden en liet braaf alle schrijfseltjes en krabbels, die her en der in huis verspreid lagen, stil liggen want er mocht niets kwijt raken. Na deze uitvinding was er voor Pim en zijn gezin even tijd voor een korte vakantie, die doorgebracht werd in het ouderlijk huis in Beekbergen. In die jaren was het heel gewoon dat de dienstbode dan ook mee kwam, zij mocht zolang het zolderkamertje met Trijntje delen.

In september schrijft Trijntje dat er in het dorp allemaal Duitsers zijn, bij Gerrit thuis zit er ook één, een angstige tijd je voelt het als het ware in de lucht, de NSB is al gaan lopen dus dat is al heel wat.
In Arnhem en Nijmegen wordt vreselijk gevochten, schrijven is nou wel helemaal uitgesloten. Het dorp is nou ook vol met evacuees, bij Gerrit thuis zijn er vijf en bij de familie Kolff zijn ze ook. Trijntje vraagt zich af of Gerrit ook zou weten wat hier allemaal gaande is en intussen steeds die smeekbede's of ze allemaal gespaard mogen blijven. En dan al die mensen in het donker met een kaars of een karbid lamp. Ook zijn er steeds meer mannen nodig voor het graven van loopgraven voor de bezetter en ook geregeld berichten over mensen die gedood zijn.

In haar wanhoop heeft Trijntje èèn ding waar ze zich steeds weer aan vastklampt en dat is haar geloof, daarin vindt ze moed en kracht om door te gaan. Gelukkig hebben ze bij Gerrit thuis in november een best varken om de winter mee door te komen. Steeds vertelt Trijntje in haar dagboek dat het niet langer meer om te dragen is voor de bevolking en dan toch steeds wordt het weer erger. En dan die verschrikkelijke V1's die steeds over komen en in Loenen waren er vorige week zondag 54 doden.
De familie Kolff heeft gelukkig nog voldoende eten maar de berichten komen wel door dat duizenden mensen om hun heen honger moeten lijden. Op 10 maart 1945 is Trijntje erg bedroefd want op de Woeste Hoeven zijn 117 mensen dood geschoten. Gelukkig zijn er weer brieven gekomen van Gerrit en ondertussen maakt Trijntje zich zorgen omdat haar schrift vol begint te raken. Ze begint steeds kleiner te schrijven en elke bladzij wordt in z'n geheel benut. Papier is immers ook schaars en hoe moet ze haar gevoelens en gedachten aan Gerrit dan kwijt? of, vraagt ze zichzelf af, zou alles nou heel gauw afgelopen zijn? en zullen ze eindelijk bevrijd worden? Er zullen toch nog een viertal losse blaadjes nodig zijn voor dat Trijntje in haar dagboek zal schrijven dat ze op 17 april bevrijd zijn en ondanks het schaarse papier zal ze met grote letters opschrijven; VRIJ VRIJ …… LEVE DE KONINGIN ! !

Op 19 april schrijft ze dat ze nou al twee dagen feest hebben gevierd en dat ze zere kelen hebben van het roepen "leve de Koningin". Er komen geruchten door dat bij de Elbe erg wordt gevochten en hoe zou het in Noord Holland bij haar ouders zijn? Er breekt een tijd aan van hoop en vrees. En dan hoort ze het bericht op de radio dat op 5 mei in Wageningen alles is getekend en dat ze nu echt vrij zijn, vrij!!

Geen teken van Gerrit...
Het verlangen naar Gerrit begint steeds groter te worden en ze snapt niet dat ze het twee jaar zonder hem heeft vol gehouden. 12 Mei heeft ze naar Breda geschreven, misschien weten ze daar meer, maar denkt ze bij zich zelf, zo doen vanzelf duizenden mensen die ook van elkaar houden.
Trijntje begint zich erg verdrietig te voelen omdat va en moe dachten, toen ze met een stel meiden uit was geweest, dat ze met de Tommy's mee waren. 't Is Pinksteren en nog steeds is Gerrit niet thuis gekomen. Een enorm leeg gevoel maakt zich van Trijntje meester en er is volgens haar nog lang geen vrede en o als Gerrit toch maar niet naar Indië moet, want dat kan ze niet meer aan.

De terugkeer
En dan op 23 mei is ineens Gerrit er weer!!!…… Hij is Goddank gespaard gebleven…… wat is Trijntje zielsgelukkig.


Open de bijlage hieronder om de eerste pagina van Trijntjes dagboek te zien.

Bijlage openen

Ingezonden door: Willy Rouwenhorst-Hartgers

Info ReactiesAfbeeldingen Streetview